23-08-03

De tijger

Panthera tigris, de grootste katachtige van Azië.

 

Zoölogische classificatie:

Vroeger geloofde men dat er verschillende soorten tijgers bestonden, maar tegenwoordig weet men dat het slechts om ondersoorten met verschillende rassen gaat. Tijgers zijn nauw verwant aan leeuwen. Wat de bouw van hun schedel en skelet betreft, zijn ze zelfs nauwelijks van elkaar te onderscheiden. In gevangenschap werden beide soorten met elkaar gekruist en de daaruit geboren jonen (tijgers) waren vruchtbaar. Ze bezaten karakteristiek kenmerken van beide ouders. De grootste tijgerrassen zijn echter groter en zwaarder dan de grootste leeuw.

 

Biotoop:

In tegenstelling tot leeuwen geven tijgers de voorkeur aan een dichtbegroeid landschap met veel plaatsen om dekking te zoeken, zodat ze met hun strepentekening in het natuurlijke schaduwspel van bomen en struiken nauwelijks opvallen. Als ze snel rennen, lijkt deze strepentekening overigens te vervagen.

 

Lichaamsbouw:

De basiskleur van tijgers is een roodachtig geelbruin met lichte en donkere schaduwen. De strepentekening is zwartbruin tot diepzwart. De buik, de onderkant van de staart, de binnenkant van de poten, de bakkebaard, de snorharen en de vlekken boven de ogen zijn wit. Met deze schutkleur, zijn massieve poten met intrekbare scherpe en gekromde klauwen, zijn afschrikwekkende scheurkiezen en zijn lenige gespierde lichaam, blijkt de tijger uitstekend uitgerust voor een bestaan als roofdier. Hoe sterk een volwassen tijger is, blijkt als hij zijn prooi wegsleept. Hij kan erg zware dieren vaak over honderden meters slepen. Een bijzonder mooie en bekende tijgersoort is de Bengaalse of koningstijger uit Voor-India. De mannetjes van dit ras kunnen 190 kg zwaar worden en 2,60 m lang (de staart meegerekend). Bij alle tijgerrassen zijn de vrouwtjes aanzienlijk lichter dan de mannetjes.

 

Verspreidingsgebied:

Het oorspronkelijke leefgebied van de tijger was Siberië, maar hier is hij tegenwoordig bijna uitgestorven. Vanuit Siberië trok hij steeds verder naar het zuiden, tot hij ten slotte op de eilanden van Maleisië terechtkwam. Er bestaan nu nog maar een paar echte Siberische tijgers die echter wel bijzonder groot zijn.

 

Levenswijze:

Tijgers leven en jagen solitair of in paren. Als ze in paren jagen, drijven ze de prooi naar elkaar toe. Tijgers brullen minder vaak en korter dan leeuwen. Ze laten hun stem meestal alleen tijdens de aanval of als dreigement horen. Als een tijger plotseling verast wordt, slaat hij op de vlucht. Hierbij stoot hij geluiden uit die op een verschrikt blaffen lijken. Bovendien kunnen tijgers, als ze tevreden zijn, snorrende en zachte miauwende geluiden maken.

 

Voortplanting:

Een vrouwtjestijger is geslachtsrijp op de leeftijd van 3 à 4 jaar. Een mannetjestijger op 4 à 5 jaar. Een geslachtsrijp vrouwtje werpt eens in de 2 à 2,5 jaar jongen. De periode tussen de worpen brengt ze door met het grootbrengen van de jongen. In gevangenschap vinden de paringen plaats met kortere tussenpozen, omdat de jongen dan niet zo lang gevoerd en opgeleid hoeven te worden. de draagtijd duurt 105 à 115 dagen en een worp kan uit 6 jongen bestaan. Meestal worden er niet meer dan 1 à 2 jongen volwassen, onafhankelijk van de oorspronkelijke grootte van de worp. Alle ziekelijke en zwakke jongen worden door de moeder gedood. De jongen wegen bij de geboorte 1 à 1,5 kg en ze zijn blind, maar al goed behaard. Ze krijgen de eerste 8 weken alleen moedermelk en worden daarna gedurende ongeveer 4 maanden gevoerd met mengkost (een mengsel van vlees en moedermelk). Nog later krijgen ze enkel vlees en op de leeftijd van 7 maanden mogen ze voor het eerst proberen om zelf een dier te pakken te krijgen. Hoewel het sterftecijfer onder tijgerjongen tamelijk groot is, kan een tijgerin tot 20 krachtige nakomelingen achterlaten. De mannetjes paren met verscheidene vrouwtjes en houden zich nauwelijks met de opvoeding van de jongen bezig. Ze gaan wel vaak met de vrouwelijke jong op jacht.


16:11 Gepost door Githa | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.